Het Natuurhistorisch Museum in Wenen is een van de bekendste musea van de stad. De collectie begon als prive verzameling van de Habsburgers. De keizerlijke familie verzamelde eeuwenlang bijzondere voorwerpen, zoals mineralen, fossielen, schelpen en opgezette dieren. Deze vormden uiteindelijk de basis voor het huidige museum.
In de 19e eeuw groeide de collectie sterk en in 1876 werd het Naturhistorisches Hofmuseum officieel opgericht. De enorme collectie kreeg een eigen gebouw aan de Maria-Theresien-Platz, tegenover het Kunsthistorisches Museum. Het Natuurhistorisch Museum opende hier in 1889 zijn deuren voor het publiek.
Een van de beroemdste voorwerpen in het museum is de Venus van Willendorf, een klein prehistorisch beeldje dat ongeveer 30.000 jaar oud is.
Hoeveel tijd heb je nodig?
Als je echt alles goed wilt zien, dan zou ik een complete dag uittrekken voor het Natuurhistorisch Museum. Het gebouw is ontzettend groot en er is echt heel veel te zien. Tussen de middag kun je lunchen in het restaurant in de koepelhal.
De centrale hal van het Natuurhistorisch Museum
Direct na binnenkomst in het Natuurhistorisch Museum in Wenen kom je in de indrukwekkende centrale hal. Deze werd ontworpen door de architecten Gottfried Semper en Carl Hasenauer. Semper overleed in 1879, nog voordat het museum klaar was. Hasenauer werkte daarna verder aan het gebouw en had veel invloed op het interieur.

De grote trappenhal
De grote trappenhal van het Natuurhistorisch Museum in Wenen behoort tot de meest rijk versierde ruimtes van het gebouw. Ik denk dat ik wel tien foto’s heb gemaakt, zo indrukwekkend.
Boven de trappen bevindt zich het grote plafondschilderij De kringloop van het leven (Der Kreislauf des Lebens). De Oostenrijkse schilder Hans Canon maakte het werk in 1885. Het schilderij is ongeveer 100 vierkante meter groot. Zoals de titel al doet vermoeden moet het de loop van het leven voorstellen. Van geboorte, leven en dood.
De decoratie van de trappenhal sluit aan bij de wetenschappelijke functie van het museum. Ferdinand von Hochstetter, de eerste directeur, had veel invloed op dit concept. Hij wilde dat thema’s als natuur, evolutie en de ontwikkeling van het leven niet alleen in de museumcollectie, maar ook in de inrichting van het gebouw terugkwamen.

Prehistorische dieren en dinosaurussen
In het Natuurhistorisch Museum in Wenen is een groot deel van de tentoonstelling gewijd aan de ontwikkeling van het leven op aarde. Fossielen, skeletten en reconstructies laten zien welke dieren miljoenen jaren geleden leefden. In de dinosaurushal staan onder andere grote skeletten van een Diplodocus, Allosaurus en Iguanodon. Ook zijn er fossielen van zeereptielen, vliegende reptielen en een enorme prehistorische zeeschildpad te zien.

Deinonychus antirrhopus
Deze vleesetende dinosaurus leefde ongeveer 110 miljoen jaar geleden, tijdens het Krijt. Hij liep op twee poten en had aan iedere achterpoot een grote, sikkelvormige klauw waarmee hij zijn prooi kon aanvallen.
De reconstructie in het museum heeft een opvallend verenkleed. Lange tijd werden dinosaurussen vooral afgebeeld als grote, geschubde reptielen. Fossiele vondsten hebben echter aangetoond dat verschillende groepen dinosaurussen veren hadden. De Deinonychus in het museum laat zien hoe sterk het wetenschappelijke beeld van dinosaurussen hierdoor is veranderd. Vogels stammen af van deze groep dino’s.

De wolharige mammoet
Naast dinosaurussen zijn in het Natuurhistorisch Museum in Wenen ook dieren uit de ijstijd te zien. De wolharige mammoet (Mammuthus primigenius) leefde tijdens de laatste ijstijd in grote delen van Europa, Azië en Noord-Amerika.
Wolharige mammoeten waren goed aangepast aan het koude klimaat. Ze hadden een dikke vacht, een isolerende vetlaag en relatief kleine oren, waardoor ze minder lichaamswarmte verloren. Kenmerkend zijn vooral de enorme, gebogen slagtanden. Deze konden bij volwassen dieren enkele meters lang worden.
Wolharige mammoeten leefden duizenden jaren samen met mensen. De meeste populaties verdwenen ongeveer 10.000 jaar geleden, al bleven kleine groepen op enkele afgelegen eilanden nog duizenden jaren langer bestaan.

De evolutie van de mens
Het Natuurhistorisch Museum in Wenen heeft een uitgebreide tentoonstelling over de evolutie van de mens. Fossielen, schedels en levensechte reconstructies laten zien hoe verschillende mensachtigen zich gedurende miljoenen jaren ontwikkelden.
De tentoonstelling maakt duidelijk dat de menselijke evolutie niet in een rechte lijn verliep. Verschillende mensensoorten leefden naast elkaar en soms kregen zij samen nakomelingen. Ook DNA-onderzoek speelt een belangrijke rol bij het reconstrueren van deze geschiedenis. De moderne mens, Homo sapiens, is de enige mensensoort die vandaag nog bestaat.

Terror vogel
Een opvallend prehistorisch dier in het Natuurhistorisch Museum in Wenen is de Paraphysornis, beter bekend als een terror bird. Deze grote, niet-vliegende roofvogel leefde ongeveer 25 miljoen jaar geleden in Zuid-Amerika.
Paraphysornis had krachtige poten en een enorme, haakvormige snavel. Daarmee kon hij op andere dieren jagen. Sommige terror birds konden enkele meters hoog worden en behoorden tot de belangrijkste roofdieren van hun leefgebied.
Het exemplaar in het museum is een levensgrote reconstructie. Medewerkers van het Natuurhistorisch Museum maakten het model zelf en brachten de veren één voor één aan.

Dinosaurusschedels
In de dinosaurushal van het Natuurhistorisch Museum in Wenen zijn verschillende grote dinosaurusschedels te zien. Twee bekende voorbeelden zijn de Tyrannosaurus rex en de Triceratops.

De Allosaurus
Deze grote vleeseter leefde ongeveer 150 miljoen jaar geleden, tijdens het Jura. Hij kon ongeveer 8 tot 10 meter lang worden en had scherpe tanden en krachtige achterpoten.
In het museum staat een levensgroot bewegend model van een Allosaurus. Het model beweegt zijn kop en voorpoten en maakt geluid. Het werd in 2011 geplaatst bij de vernieuwing van de dinosaurushal. Niet geschikt voor kleine kinderen, die barstten allemaal in huilen uit.

Skeletten van de Allosaurus en Diplodocus
Op de voorgrond zie je het skelet van de Allosaurus, een grote vleeseter die ongeveer 150 miljoen jaar geleden leefde. De Diplodocus was een planteneter en valt op door zijn enorme lichaam, lange nek en lange staart. Deze dinosaurus kon meer dan 20 meter lang worden.

Een reusachtige zeeschildpad
In het Natuurhistorisch Museum in Wenen is het skelet van Archelon ischyros te zien, een van de grootste zeeschildpadden die ooit heeft geleefd. Het dier leefde ongeveer 80 miljoen jaar geleden en kon meer dan vier meter lang worden.
Archelon had enorme flippers en een schild dat waarschijnlijk bedekt was met een leerachtige huid. Hij leefde in dezelfde periode als de dinosaurussen, maar was zelf geen dinosaurus.
Op deze foto, met mijn moeder, kun je goed zien hoe groot deze schildpad was.

Het reuzengordeldier
De Glyptodon was een reusachtig gordeldier dat tijdens de ijstijd in Zuid-Amerika leefde. Het dier kon ongeveer zo groot worden als een kleine auto en werd beschermd door een dik pantser van aan elkaar gegroeide botplaatjes.
Glyptodon was een planteneter en is verwant aan de gordeldieren die tegenwoordig nog in Amerika leven. De soort stierf ongeveer 10.000 jaar geleden uit.

Katten in het Romeinse Rijk
Katten leefden al in Europa voordat de Romeinen er kwamen. De huiskat stamt vooral af van de Afrikaanse wilde kat (Felis lybica) en leefde duizenden jaren geleden al samen met mensen rond het Middellandse Zeegebied.
De Romeinen speelden wel een belangrijke rol bij de verdere verspreiding van katten door Europa. Vanaf ongeveer de 1e eeuw voor Christus en de eerste eeuwen na Christus reisden katten mee met handelaren, soldaten en schepen. Ze waren nuttig omdat ze muizen en andere knaagdieren vingen. Via het Romeinse Rijk verspreidden huiskatten zich zo steeds verder naar het noorden en westen van Europa.

Restaurant in de koepelhal
Het café-restaurant van het Natuurhistorisch Museum bevindt zich in de Obere Kuppelhalle. Deze indrukwekkende koepelhal maakte al deel uit van het oorspronkelijke 19e-eeuwse ontwerp van Gottfried Semper en Carl Hasenauer.
De ruimte was oorspronkelijk geen restaurant. De rijke versieringen verwijzen naar de natuur en wetenschap en passen bij het idee van een ‘paleis van de natuurwetenschappen’. Tegenwoordig kun je hier tussen het marmer en onder de historische koepel genieten van Weense gerechten, koffie en gebak.

Het restaurant mag je eigelijk niet overslaan als je naar het Natuurhistorisch Museum in Wenen gaat.

Een van mijn favoriete Oostenrijkse gerechten: Kaiserschmarrn.

Nog een keer de imposante traphal.

Mineralen en edelstenen
Een belangrijk deel van het Natuurhistorisch Museum in Wenen is gewijd aan mineralen, gesteenten en edelstenen. In lange historische vitrines liggen duizenden exemplaren uit verschillende delen van de wereld.
Deze afdeling mag je echt niet overslaan, er is zoveel moois te zien.

Malachiet
Malachiet is herkenbaar aan de groene kleur en de verschillende lichte en donkere banden. Malachiet ontstaat in gebieden waar kopererts aanwezig is. Het exemplaar op de foto komt uit Siberië. Malachiet wordt al duizenden jaren gebruikt voor sieraden, decoraties en als groen pigment.

Hematiet uit Elba
Dit kleurrijke mineraal komt uit Rio Marina op het Italiaanse eiland Elba, een gebied dat eeuwenlang bekendstond om zijn ijzerertsmijnen. Het exemplaar bestaat uit hematiet, een belangrijk ijzererts.
De opvallende paarse, blauwe en groene kleuren ontstaan door een dunne laag aan het oppervlak die het licht op verschillende manieren weerkaatst. Hierdoor krijgt het mineraal zijn bijzondere, bijna metallic regenboogkleuren.

Links – rhodochrosiet
Dit opvallende roze mineraal is rhodochrosiet, afkomstig uit de Capillitas-mijn in Argentinië. Het bestaat voornamelijk uit mangaancarbonaat. De verschillende roze en witte lagen ontstaan tijdens de groei van het mineraal. Argentinië staat bekend om bijzonder mooie exemplaren van rhodochrosiet en heeft het mineraal zelfs uitgeroepen tot nationale steen.
Midden – Druifagaat uit Sulawesi
Deze bijzondere paarse steen bestaat uit kleine bolvormige structuren die samen op een tros druiven lijken. Druifagaat wordt vooral gevonden op het Indonesische eiland Sulawesi.
Rechts – taeniet
Het rechter exemplaar is taeniet, een natuurlijke legering van ijzer en nikkel. Taeniet komt vooral voor in ijzermeteorieten. Het patroon dat hier zichtbaar is, ontstaat nadat het materiaal wordt gepolijst en met zuur wordt behandeld. Zulke structuren helpen wetenschappers bij het onderzoeken en herkennen van meteorieten.



Australisch opaal
Deze boulder opal komt uit Queensland in Australië. De edelsteen zit nog gedeeltelijk vast in het oorspronkelijke gesteente. Opaal staat bekend om zijn bijzondere kleurenspel: afhankelijk van de lichtinval verschijnen verschillende tinten blauw, groen, geel en soms rood. Australië is een van de belangrijkste vindplaatsen van opaal ter wereld.

Links – kopervitriool
De felblauwe kristallen zijn kopersulfaat. Het exemplaar in het museum is kunstmatig gekweekt. De opvallende blauwe kleur wordt veroorzaakt door koperionen.
Midden – Pyromorfiet uit China
Dit felgroene mineraal komt uit Yangshuo in de Chinese regio Guangxi. Pyromorfiet is een loodhoudend mineraal dat bekendstaat om zijn opvallende groene kleur en zeshoekige kristallen.
Rechts – Varisciet uit Utah, Verenigde Staten
Het mineraal ontstaat wanneer fosfaatrijk water reageert met gesteente dat aluminium bevat. Het komt vooral voor in groene en blauwgroene tinten.
Varisciet is relatief zeldzaam en wordt vanwege zijn mooie kleur ook gebruikt voor sieraden en decoratieve voorwerpen. Vooral Utah staat bekend om bijzonder mooie exemplaren. De steen wordt soms verward met turkoois, maar heeft een andere samenstelling.



Lichtgevende mineralen
Een bijzondere vitrine toont fluorescerende mineralen onder UV-licht. Sommige mineralen nemen ultraviolet licht op en zetten dit om in zichtbaar licht. Hierdoor lichten ze plotseling fel groen, blauw, paars of rood op.
In de vitrine zijn onder andere fluoriet, opaal, scheeliet en willemiet te zien.

Links – Malachiet
De groene kleur ontstaat door het koper in het mineraal. Malachiet werd al duizenden jaren gebruikt als bron van koper, maar ook voor sieraden, decoraties en vroeger zelfs als groen pigment.
Rechts – Hematiet
Een belangrijk ijzererts dat voornamelijk bestaat uit ijzeroxide. Het heeft meestal een metaalachtig grijs of bijna zwarte kleur. Maar als je het verpulvert, dan wordt het roodbruin. Vandaar de naam Hematiet, wat in het Grieks ‘bloed’ betekent.


Zeoliet in de kattenbak
Mineralen worden gebruikt in alledaagse producten. Zeoliet heeft een poreuze structuur waarmee het vocht en bepaalde stoffen kan opnemen. Daarom wordt het onder andere gebruikt in kattenbakvulling om vocht en geurtjes te absorberen.

Nog een foto van de imposante trappenhal.

Uitkijken op het Kunsthistorisch Museum. De buitenkant is bijna identiek aan het Natuurhistorisch Museum.

Amfibieën
Het Natuurhistorisch Museum in Wenen heeft ook een afdeling over amfibieën. Hier zijn verschillende soorten kikkers, padden en salamanders uit verschillende delen van de wereld te zien.
Amfibieën kunnen zowel in het water als op het land leven. Veel soorten beginnen hun leven als larve in het water en veranderen later in een volwassen dier. De collectie laat de grote verschillen in kleur, vorm en grootte zien. Ook wordt duidelijk hoe amfibieën zich hebben aangepast aan verschillende leefgebieden.

Doodshoofdvlinder
Deze grote nachtvlinder dankt zijn naam aan de opvallende tekening op zijn borststuk, die op een menselijke schedel lijkt. Doodshoofdvlinders behoren tot de pijlstaarten en komen voor in delen van Afrika, Azië en Europa.
Je kunt deze vlinder ook herkennen uit de film:The Silence of the Lambs uit 1991.

Blauwe morphovlinder
De Morpho rhetenor cacica leeft in de tropische gebieden van Zuid-Amerika. De felblauwe vleugels bevatten geen blauw pigment. Kleine structuren op de vleugelschubben weerkaatsen het licht en zorgen voor de opvallende metallic blauwe kleur.

Kleurrijke kevers
In de insectencollectie zijn kevers in allerlei vormen en kleuren te zien. Sommige tropische soorten hebben een opvallende groene, blauwe of gouden metaalglans. Die kleuren kunnen, net als bij sommige vlinders, ontstaan doordat de buitenkant van het lichaam licht op een bijzondere manier weerkaatst.


Museumshop
Kun je geen genoeg krijgen van al het moois in het museum? Check dan zeker de museumshop en neem een stukje mee naar huis!
Peacock ore dankt zijn naam aan de opvallende pauwenkleuren. De steen bestaat vaak uit borniet of behandeld chalcopyriet. Door oxidatie aan het oppervlak ontstaan blauwe, paarse, groene en gouden kleuren.


