Verder naar bericht

Potosi

Potosi ligt op 4000 meter hoogte en was daarmee tot voor kort de hoogste stad in Bolivia. Tegenwoordig is dat El Alto, dat op zo’n 4150 meter hoogte ligt. Potosi is beroemd om zijn zilvermijnen waarvan de bekendste aan de voet van de Cerro Ricco (rijke berg) ligt. In koloniale tijden was Potosi één van de rijkste steden ter wereld. In de 17e eeuw woonde er op een gegeven moment 200 duizend mensen in de stad. Sinds 1987 staat Potosi op de UNESCO werelderfgoedlijst.

Potosi – Hoe kom je er?

Het ligt er een beetje aan waar je vandaan komt natuurlijk maar de meeste reizigers nemen de bus. Vanaf mijn hostel in Sucre nam ik een taxi (5 BOB) naar het busstation. Daar kocht ik een kaartje voor de drie uur durende bus naar Potosi. De bus zou om 9 uur vertrekken maar dat werd uiteindelijk 09:45 uur.

Onderweg was het knijpen want de meeste bussen hebben geen toilet en maken ook geen sanitaire stop.

Potosi met op de achtergrond de Cerro Rico berg

Potosi – Waar verblijf je?

Ik geloof dat ik na mijn hostel verblijf in Samaipata (snurk) had gezegd dat ik niet meer in een dorm zou verblijven. Maar in Potosi verbleef ik tóch weer in een hostel. In een kamer met zes stapelbedden en twee badkamers.

Waarom? Omdat de rest van de accommodaties in Potosi om de een of andere reden twee keer zo duur was. En ik ga toch echt geen 30 euro voor een kamer betalen.

Uiteindelijk ben ik twee nachten in hostel Casa Blanca gebleven. Er liepen allemaal stereotype backpackers rond. Denk dreadlocks en geschoren hoofden. Ik paste er zo tussen!

Het was eigenlijk best een leuk hostel. Vrolijke schilderingen op de muren, schone badkamers, hippe muziek en goede bedden. Vooral dat laatste was voor mij belangrijk aangezien ik de laatste nacht in Sucre ziek ben geworden. Ik heb in Potosi veel in mijn bed gelegen.

Eigenlijk is het niet echt heel fijn om in een hostel te verblijven als je ziek bent want iedereen loopt constant de kamer in. Licht aan, licht uit, hard gepraat. Maar het was niet anders. Ik kocht bij een apotheek twee slaappillen en daarmee ben ik redelijk de nachten doorgekomen. Uiteraard lag er ook weer een snurker op de kamer.

Potosi – wat is er te doen? 

Cerro Rico zilvermijn tour

Als je naar Potosi gaat dan mag een bezoekje aan de Cerro Rico Zilvermijn niet ontbreken. Ik boekte via mijn hostel een tour en werd om 9 uur ’s ochtends opgehaald door Antonio van Potochij Tours.

We reden eerst langs het kantoortje van Potochij Tours om te betalen (80 BOB, 10 euro per persoon) en een beschermende outfit aan te trekken. Deze bestond uit een rood pak, rubberen laarzen, helm met lamp en speciale tas.

Vervolgens reden we naar de markt om voor 20 BOB een pakketje voor de mijnwerkers te kopen. Dat pakketje bestond uit frisdrank, crackers en coca bladeren voor energie. En geloof me, dat hebben die mensen echt nodig.

Daarna reden we naar de mijn.

Cerro Rico zilvermijn toen & nu

In de 16e eeuw kwamen de Spanjaarden erachter dat er zilver te vinden was bij de Cerro Rico berg in Potosi. Men begon op grote schaal met het winnen van zilvererts. Hiervoor werd het inheemse volk gebruikt. Terwijl lokale mannen zich letterlijk kapot werkten onder de grond bloeide de stad boven hun hoofden op. Potosi werd de rijkste stad ter wereld en het zilver werd massaal verscheept naar Spanje.

Rond halverwege de 19e eeuw waren de zilvermijnen nagenoeg uitgeput. Mede door onafhankelijkheidsoorlogen raakte Potosi in verval. In de jaren 80 werden alle staatsmijnen gesloten en ging de bevolking de mijnen zelf besturen. Tegenwoordig werken er nog duizenden mannen in de mijnen van Potosi. Zo’n 60 daarvan zijn werkzaam in de Cerro Rico zilvermijn. Het weinige zilver dat nu nog wordt gevonden wordt verwerkt tot een poeder met lood en zink.

Tour door de mijn

Eenmaal aangekomen bij de mijn was het tijd om naar beneden te gaan. Via een benauwde, smalle gang. Eenmaal ondergronds werd ons aangeraden om een mondkapje op te zetten. Omdat het stof wat van de wanden afkomt niet bepaald goed voor je is. Ik heb toch meerdere malen het kapje afgezet omdat ik anders geen adem kon halen. Op 4000 meter hoogte is het al lastig om adem te halen en dan zit je opeens onder de grond. Gelukkig heb ik geen last van claustrofobie.

Antonio

Antonio, onze gids, legde uit dat hij zelf op 14jarige leeftijd al ging werken in de mijn. Zijn vader, ook werkzaam in de mijn, overleed en er moest iemand voor het gezin zorgen. Uiteindelijk is Antonio er na een aantal jaar mee gestopt omdat hij bang was dat hij anders, net als zijn vader, vroeg dood zou gaan (de meeste mijnwerkers gaan dood door stof in de longen). En nu geeft hij tours door de mijnen met Potochij Tours. Op die manier hoopt hij de andere mijnwerkers ook een beetje te helpen.

Antonio is een geweldig mannetje. Hij heeft zichzelf via Duolingo en met hulp van toeristen Engels geleerd en brengt de tour met humor. Op de markt liet hij ons de materialen zien waarmee ze werken in de mijn. Voornamelijk dynamiet. Ze blazen stukken op, gaan de volgende dag de mijn in en zoeken dan naar stukken steen waar zilver in zit. Die stukken steen slaan ze met een kamer in kleine stukjes en dan sorteren ze de materialen.

“This piece of dynamite is enough to blow up your mother-in-law” en “the dynamite we stick in holes we drill in the walls. But with your mother-in-law we stick it in the ass”. Haha.

Dat Antonio al vanaf een vroege leeftijd in de mijnen heeft gewerkt kun je zien. Zelfs voor Boliviaanse begrippen is het een klein mannetje en zijn rug loopt krom (bochel). Dat komt natuurlijk door het jarenlang krom lopen in de tunnels van de mijn. 

Verder met de tour

Met gebogen ruggen lopen we door de de mijn. Af en toe is het zo laag dat ik moet kruipen. Er zijn meerdere ‘kamers’ volgens Antonio. Beneden en boven. Als we naar boven gaan moeten we door één of anders mal gangetje omhoog klimmen. Soms staat er een ladder, soms niet. Komen de werkers écht zo naar boven? Ik loop te hijgen als een paard. Hoe kunnen mensen hier vijf dagen per week werken?

Een Nederlandse jongen uit mijn groep vertelt me dat hij heeft gehoord dat de meeste mijnwerkers er blijven werken omdat, als ze stoppen ze vaak snel dood gaan.

Ik heb dat verhaal eerder gehoord in de zoutmijnen in Polen. Daar werkte een paard jarenlang onder de grond. Toen het beest eindelijk met pensioen mocht en naar boven werd gehesen ging het dood.

Tio

Tijdens de tour komen we verschillende beelden tegen van Tio. Dit betekent in het Spaans ‘oom’. Tio is de god die de mijnwerkers vereren. Ze geven het beeld drank, sigaretten en besprenkelen het met cocabladeren en alcohol. Ze vragen Tio “hou mij, mijn familie en vrienden veilig”. 

En de mijnwerkers kunnen alle gebedjes goed gebruiken. Want zoiets als de ARBO bestaat niet in Bolivia. De werkomstandigheden zijn nagenoeg hetzelfde als in de 16e eeuw. Erbarmelijk.

Wie net als ik ‘The chilling adventures of Sabrina’ kijkt op Netflix krijgt hier vast ook de rillingen van. Komt wel heel erg bekend voor dit niet?

Geen toekomst

Onderweg komen we twee mijnwerkers tegen die net willen beginnen aan het boren van een paar gaten. Eentje vraagt aan de gids of hij toevallig nog zussen heeft omdat hij single is. We lachen erom maar eigenlijk is het best triest. Antonio vertelt dat de meeste vrouwen geen mijnwerker willen omdat ze dan elke dag moeten hopen dat hij weer levend thuis komt.

Alsof het zware werk en de kans dat je vroeg dood gaat nog niet genoeg is.

Veel tijd om erover na te denken hebben we niet want opeens is er een keihard geluid. Het klinkt alsof er een berg zand naar beneden komt. Er is  overal stof. Ik zie de schrik op het gezicht van de andere twee toeristen. “Come on guys lets go!” En snel lopen we achter Antonio aan voordat we helemaal niks meer zien.

Uiteindelijk was er niet zoveel aan de hand. De mannen gingen gewoon weer aan het werk.

Einde van de tour

Aan het einde van de tour vroeg Antonio wat we ervan vonden. Ik zei dat ik het vreselijk vind dat jonge mannen zulk gevaarlijk werk moeten doen omdat er niks anders te doen is. En dat er niks aan de omstandigheden wordt gedaan. Volgens Antonio is president Evo Morales een aantal jaar geleden langs geweest met grote beloftes. Maar natuurlijk daar is uiteindelijk natuurlijk niets mee gedaan. En zo blijven mannen in Potosi wegkwijnen in de mijnen. Een triest einde van een imposante tour.

Plaza de 10 de Noviembre

Het Plaza de 10 de Noviembre is het centrale plein van Potosi en erg gezellig. Toen ik er was (midden december) werd er elke avond een kerstmarkt gehouden op het plein. Er werden kerstmutsen verkocht, warme chocolademelk en natuurlijk een heleboel eten. Daarnaast waren een aantal van de stadhuizen open waar men kon kijken naar kerststalletjes. Dat vond ik best bijzonder. Mensen stonden in de rij om bij die gebouwen naar binnen te gaan. En waarom? Om te kijken naar een kerststal.

Torre de la Compania de Jesus

Vlak bij het centrale plein van Potosi vind je de Torre dela Compania, een klokkentoren uit 1707. Deze is gebouwd op de overblijfselen van een jezuïetenkerk die er eerst stond. Voor 10 BOB (1,27 euro) kun je de toren beklimmen en heb je een mooi uitzicht over Potosi.

Iglesia de San Lorenzo

De San Lorenzo kerk was één van de eerste kerken die gebouwd werd in Potosi. De kerk raakte ooit door hevige sneeuwval erg beschadigd en moest hersteld worden.

De San Lorenzo kerk ziet er van de buitenkant indrukwekkend uit maar valt aan de binnenkant ietwat tegen. Je kunt duidelijk zien dat men de kerk niet onderhoudt en dat is jammer.

Toen ik aankwam bij de kerk was het hek open maar de deuren dicht. Ik liep naar het ‘loket’ waar een vrouw op een bankje lag te slapen. Ze stond snel op toen ze merkte dat ik er was. Ik moest 15 BOB betalen voor toegang. Ik weet niet meer of ik nou ook nog apart moest betalen voor de toren.Vast wel. Maar veel kan het niet geweest zijn.

De vrouw opende daarna de kerk en toren voor me. That’s right. Een totale kerk werd voor mij alleen geopend. Nou als dat je niet speciaal doet voelen weet ik het ook niet meer.

Museo del Convento de Santa Theresa

Het klooster van Santa Theresa was voor mij het hoogtepunt van Potosi. Dat kwam voornamelijk door de geweldige gids die ik had.

Net als in Sucre gaan de meeste bezienswaardigheden in Potosi rond de middag dicht. Ik bezocht het klooster dus pas rond half vier. Er was net een tour begonnen met twee Franse toeristen. Ik kon aansluiten en gelukkig vond iedereen het prima als de tour werd voortgezet in het Engels. Voor de gids was het even schakelen want haar Frans was overduidelijk beter dan haar Engels. Maar ze deed enorm haar best en ze nam de tijd.

Ze ging langzaam door alle ruimtes van het klooster heen en vroeg ons elke keer of we vragen hadden. Je kon zien dat ze plezier had in haar baan en dat ze het goed wilde doen. Aan het eind vroeg ze me of ik wat Engelse zinnen voor haar kon nakijken die ze (denk ik) wilde gebruiken voor de tour. Ze ging zelfs een deken voor me halen toen het opeens keihard begon te regenen en waaien.

En het klooster zelf?

Dat was ook geweldig. Heel groot en indrukwekkend. Tegenwoordig wonen er geen nonnen meer. De zes die nog over zijn wonen in een modern gebouw. Hopelijk met centrale verwarming.

Het Santa Theresa klooster is nu een museum waar kunstwerken hangen. Ooit gedoneerd door families van nonnen. Vroeger was het namelijk zo dat van elke rijke familie de eerste en tweede dochter (of zoon) bij het klooster ging. En dan moest je als ouder een flinke bruidsschat betalen. Meestal in de vorm van schilderijen, geld of andere waardevolle objecten.

Bij de bogen was het vroeger dicht. Tussen de bogen was een kamer waar een non verbleef.

Zelfkastijding, de nonnen strafte zichzelf om niet ten prooi te vallen aan verleiding.

Kerk en begraafplaats

Naast het klooster krijg je de bijbehorende kerk te zien én de begraafplaats, die luguber genoeg binnen is. Er is een bepaalde kamer met luiken in de vloer. In de ruimte onder die vloer werden vroeger de overleden nonnen begraven. Na drie jaar werden de botten uit het graf gehaald en in een massagraf geplaatst. Lijmsteen werd gebruikt om de rottende geur tegen te gaan.

Waarom ze precies de nonnen binnen begroeven en niet op een begraafplaats wist de gids niet. Het vermoeden is om de ziel dicht bij het klooster te houden.

De levensstijl van de nonnen was enorm strikt. Na toetreden kwamen de jonge meisjes (meestal waren ze 15 jaar oud) nooit meer buiten het klooster. Hun familie kwam wel langs maar die mochten ze niet zien en aanraken. Alleen horen.

Het leven bestond vanaf dan alleen nog maar uit bidden, werken, eten en slapen. Alles en altijd binnen het klooster. En daarom klinkt het ‘binnen het klooster begraven’ idee wel logisch.

Nonnenwerk

Wat deden die nonnen eigenlijk de hele dag? Nou ten eerste natuurlijk heel veel bidden, dat begon al om 4 uur ’s ochtends. Ze mochten twee uur per dag met elkaar praten, tijdens het werken. En met werk bedoel ik dan het maken van ‘kleding’ voor de priesters en voor poppen van de heilige maagd Maria.

Zo’n pop kreeg vroeger elke twee weken een nieuw gewaad aangetrokken. Ik vroeg de gids hoe lang een non met zo’n gewaad bezig zou zijn geweest. Helaas wist ze daar geen antwoord op. Ik vermoed zeker een week.

Een bezoekje aan het Santa Theresa klooster is zéker de moeite waard. Je betaalt 45 BOB aan toegang en nog eens 15 BOB als je foto’s wilt maken.

Bijna kerst en dus een kerststal in het klooster. traditie is dat één familie uit Potosi elk jaar speelgoed doneert voor baby Jezus. Vandaar het kitscherige display.

Casa Nacional de Moneda de Bolivia

Zoals ik in de intro van dit blog al vertelde was Potosi vroeger een welvarende stad waar veel zilver werd gewonnen. Niet zo vreemd dus dat in Potosi vroeger óók alle munten van Bolivia werden geslagen. Dat gebeurde in Casa de la Moneda (huis van het geld) dat sindsdien op de UNESCO werelderfgoedlijst staat.

Tegenwoordig wordt er geen geld meer geproduceerd en is Casade la Moneda een museum. Je kunt het alleen bezoeken met een gids. Je betaalt 40 BOB aan toegang en 20 BOB extra als je foto’s wilt maken.

Ik bezocht het museum met iemand van het hostel (die toevallig net aan kwam lopen). Onze gids was op zich wel aardig maar zijn accent was een beetje zwaar waardoor ik niet alles verstond. Daarnaast ging hij overal best snel doorheen. En het feit dat ik me écht niet lekker voelde die dag hielp ook niet mee.

Jammer want het is best een indrukwekkende plek. Ik vond het vooral interessant om te zien hoe de munten vroeger werden gemaakt. De drie originele machines (aangedreven door ezels) staan er nog steeds. Poppen illustreren hoe het proces te werk ging. En dat was, net als het werk in de mijnen, niet bepaald Arbo goedgekeurd.

Bij het gieten van het zilver kwam bijvoorbeeld een giftige stof vrij waardoor arbeiders het werk maar 15 jaar konden doen. Daarna was het game over en gingen ze dood.

Hoeveel mensen er wel niet zijn gesneuveld voor rijkdom en macht. En dat nog steeds doen…

Potosi – Wat vond ik ervan?

Ik vond Potosi eigenlijk nog leuker dan Sucre. Het is iets kleiner en daardoor gezelliger. Alles zat op loopafstand van het hostel én de meeste bezienswaardigheden waren gewoon open. Ik kreeg gewoon een goede vibe van deze stad. Ik vind het jammer dat ik de tweede dag ziek was en er dus minder van heb kunnen genieten. 

1 Reactie

  1. Piet Piet

    Hallo Hanneke, Leuk zo je reisverslag te lezen. En met de fotos !!
    Dat geeft een goede indruk. Hartelijke groeten van Piet Hendriks ( Rosanne’s vader )

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.